De geest in inkt
Geplaatst door: robtstvlover op 14-09-26
Shodo is geen schrijven. Wie het reduceert tot mooie tekens op rijstpapier, heeft de kern gemist. Het is adem. Houding. Het gewicht van de schouder die niet duwt. Het moment waarop de geest stilvalt en de penseel niet meer wordt bestuurd, maar gedragen. Inkt is zwart water dat geen leugen toelaat. Elke aarzeling wordt een vlek. Elke spanning in de kaak wordt een breuk in de lijn. Elke onrust in de borst wordt zichtbaar nog voor het teken klaar is.
Ik ben Rob Naoki. Trainer. Meester. Iemand die lichamen en geesten leert buigen zonder ze te breken. Subs. Sissy’s. Mensen die verlangen naar vorm, naar tucht, naar de stilte ná de opdracht. Mijn hand kende touw, stem, ademhaling van een ander. Mijn hand kende nog niet de eerlijkheid van sumi. Toen ik merkte dat mijn penseel te veel ego droeg, dat mijn lijn te luid sprak, kon ik niet achterblijven. Ik schreef me in bij de TransAmsterdam Trans Art School.
De lerares heette Asahi. 朝陽. Ochtendzon. Nieuw begin.
Zevenentwintig. Transgender in transitie, nog niet chirurgisch tot vrouw getransformeerd. Heel lang donker haar dat bijna tot haar billen viel, strak en glanzend als lakwerk. Slank, atletisch, groene ogen die in het noorderlicht van het lokaal leken te branden. Maagdelijk blanke huid, zo egaal dat je er bijna geen porie in zag. Werkelijke Aziatische schoonheid, met die stille precisie in haar bewegingen alsof elke stap al een penseelstreek was.
Ze stond die eerste les in een wijde zwarte hakama over een witte gi, mouwen opgerold tot de elle boog. Haar polsen waren smal. Haar vingers lang. Toen ze de eerste verticale lijn zette — één adem in, één adem uit, penseel die het papier kuste en daarna doorsneed — werd de hele ruimte stiller.
“Niet duwen,” zei ze in bijna accentloos Nederlands, met ergens onderin een Tokiose scherpte. “Uitnodigen. De inkt wil vloeien. Jij mag alleen de rivier zijn.”
Ik was niet de jongste in de klas. Wel degene die het langst keek. Niet alleen naar het papier. Naar hoe haar schouderblad bewoog onder de stof. Naar hoe haar haar bij elke buiging een zwarte waterval werd over haar rug. Naar hoe ze slikte voor ze een nieuw teken inzette, alsof ze eerst haar eigen hart tot rust moest dwingen.
De eerste les was primitief en vernederend op de manier waarop echte kunst vernederend is. Ik zette een ichi, de horizontale één, en de lijn was dik aan het begin, dun aan het eind, een ego dat te hard landde. Asahi kwam achter me staan. Niet dichtbij genoeg om te raken. Dichtbij genoeg om haar adem in mijn nek te voelen.
“Uw schouder tilt,” zei ze. “De penseel is geen zwaard. Laat het gewicht van de arm het werk doen. U hoeft niets te bewijzen aan het papier.”
Haar geur was thee, inkt, iets bloemigs van haar huid. Groene ogen gingen van mijn hand naar mijn gezicht en weer terug. Ik ademde. De tweede lijn was beter. Niet mooi. Eerlijker.
Na de les veegde ze de stenen schoon met dezelfde aandacht waarmee andere mensen een instrument opbergen. Leerlingen gingen. Ik bleef een minuut te lang bij mijn jas. Zij keek op.
“Naoki-san. U blijft kijken naar de inkt alsof die u iets verschuldigd is.”
“Misschien ben ik het papier iets verschuldigd.”
Een bijna-lach. Klein. Echt. “Volgende week. Zelfde adem. Minder wil.”
De tweede les ging over 永, ei, eeuwigheid, het teken dat alle fundamentele streken draagt. Asahi demonstreerde het op een groot vel. Haar lichaam was één lijn: voeten, knieën, heupen, schouders, pols. Het lange haar was tot een lage knot gebonden; een paar strengen ontsnapten en lagen op haar nek als natte inkt. Ik keek naar de streek en naar de plek waar haar hakama over haar slanke heupen viel, en naar de lichte beweging in haar keel wanneer ze slikte.
Na de les bleven we hangen. Het lokaal rook naar oude houten vloeren. Zij schonk thee. Wij praatten voor het eerst over meer dan papier.
Over homofobie in Nederland. Hoe die niet altijd schreeuwt. Soms fluistert hij in een blik in de tram, in een ober die twee keer “meneer” zegt terwijl zij daar zit met haar lange haar en een stem die al zachter werd van de hormonen. Over Tokyo. Enig kind. Vader ingenieur. Moeder lerares klassieke literatuur. Niet wreed. Wel ver. De afstand was een beleefde vorm van hartzeer.
Zij was naar Leiden gekomen voor Kunstwetenschappen. Bachelor Kunstgeschiedenis Europa. Research Master. Afgestudeerd in 2019. Zij kende de late middeleeuwen beter dan de meeste Nederlanders hun eigen provincie, en stond tegelijkertijd hier, inkt op haar wijsvinger, en vertelde dat ze soms ’s nachts Japans prevelde tegen het plafond omdat Nederlands te hoekig voelde voor wat ze voelde.
Wij hadden kunst. Wij hadden muziek. Ik noemde een strijkkwartet in een kleine zaal. Zij knikte. “Ik kom.”
De zaal was donker, te warm, de strijkers te langzaam voor de stad. Haar knie raakte de mijne en bleef. In het applaus bewoog zij niet. Haar profiel was strak als een houtsnede. Buiten, in de kou, zei ik dat ik de honneurs nam. Eten. Drinken. Geen les.
Het Japanse zaakje was sober. Zij koos de sake. Praatte over Muromachi-inkt en over hoe Europa het lichaam in verf had gezet terwijl Japan het lichaam in de leegte had gelaten. Haar groene ogen werden donkerder bij de tweede kom. Onder de tafel schoof haar voet tegen de mijne. Bleef.
In het café aan de gracht was het licht te zwak om te veinzen dat we alleen over penseeltechniek praatten. Haar haar lag over één schouder, tot in haar schoot. Ik keek ernaar te lang. Zij merkte het op en zei niets. Alleen: “U kijkt zoals u tekent. Te veel. En dan opeens precies genoeg.”
Wij deden dat meerdere keren. Elke keer schoof het gesprek een centimeter verder het lichaam in. Haar lach werd lager. Mijn hand bleef langer op de leuning van haar stoel. Zij draaide haar glas tussen duim en wijsvinger alsof ze de rand al aan het voelen was.
Tussen de dates door de les. Kaisho, de standaardstijl. Gyosho, halfcursief. Zij corrigeerde mijn pols door haar vingers even boven de mijne te houden, zonder te raken, tot de hitte tussen onze huid een eigen teken werd. Een keer, als de klas weg was, veegde ik een spat inkt van haar jukbeen. Mijn duim bleef een seconde te lang. Zij keek me aan. Slikte. “Volgende week,” zei ze, en haar stem was niet meer de stem van de lerares alleen.
De vonk sloeg over op een avond waarop de regen tegen de ramen tikte alsof iemand met nagels om binnenkomst vroeg. Wij hadden gedronken, niet te veel, precies genoeg om de voorzichtigheid week te maken. Zij keek me aan over de tafel.
“Kom je mee naar huis.” Geen vraagteken. Een uitnodiging die al binnen was nog voor ik knikte.
Haar appartement was klein, hoog, met één grote tafel waarop rijstpapier lag te wachten alsof de les nooit was afgelopen. Lage plank met stenen, penselen, een suzuri. De geur van inkt hing er permanent, vermengd met haar huid. Zij deed de deur op slot zonder om te kijken. Haar haar viel voorover toen ze haar schoenen uittrok. Ik zag de lijn van haar nek, de slokdarmbeweging toen ze slikte.
Wij kusten eerst staande in de gang. Haar mond was warm, precies, niet slordig. Tong die niet stormde maar uitnodigde, net als haar les. Ik voelde haar lichaam tegen het mijne: slank, atletisch, borstkas die al zachter werd, heupen die nog smal waren, en lager de harde, onmiskenbare bolling van haar pik die zich tegen mijn dij drukte. Zij haalde scherp adem in mijn mond toen mijn hand daar even bleef, niet grijpend, alleen erkennend.
“Zeg het,” fluisterde ze.
“Ik wil je. Ik wil in je. Ik pijp je niet. Jij neukt mij niet. De rest is van ons.”
Haar groene ogen bleven staan. Toen knikte ze, eenmaal, als een zegel. “Dan blijf je.”
De eerste keer was niet zacht omdat we bang waren. Het was zacht omdat Shodo haar had geleerd dat de eerste streek de hele compositie draagt. Zij leidde me naar de kamer. Kaarsen. Geen felle lamp. Zij liet haar haar los; het viel tot bijna op haar billen, een zwart gordijn over die blanke rug. Ik schoof de stof van haar blouse van haar schouders. Haar huid was koel en daarna warm onder mijn mond. Sleutelbeen. De kuil onder haar keel. De kleine, groeiende zwelling van haar borst waar de hormonen al hun werk deden, tepel die hard werd toen ik erover likte.
Zij knoopte mijn overhemd open met diezelfde vingerprecisie. Elke knoop een adem. Toen haar hand mijn broek opende en mijn lul vastpakte, keek ze ernaar alsof ze een nieuwe lijn beoordeelde: dikte, spanning, richting.
“Je bent al hard,” zei ze bijna verwonderd.
“Sinds je de eerste verticale zette.”
Zij lachte zacht, en die lach werd een zucht toen ik haar op het tapijt liet zakken. Ik kuste haar buik, de rand van haar ondergoed, en trok het naar beneden. Haar pik kwam vrij: slank, bleek, al stevig, de eikel glanzend. Donker haar aan de basis, verzorgd. Ballen strak. Ik sloot mijn hand eromheen. Niet mijn mond. Mijn vuist. Langzaam. Duim over de spleet tot pre-cum over mijn vingers liep. Haar hele lichaam reageerde, alsof die ene aanraking de rest van haar adem stilzette.
“Rob…” Mijn naam in haar mond klonk anders dan in de les. Lager. Natter.
Ik wreef haar, stevig, nat van haar eigen vocht, terwijl mijn andere hand haar dij openschoof en over de strakke huid achter haar ballen streek, naar de ingang die al spande toen ik er alleen maar langs ging.
“Daar,” fluisterde ze. “Als je durft.”
Ik durfde.
Ik maakte haar nat met speeksel en geduld. Eén vinger, wachtend tot ze opende, tot haar adem de juiste maat vond. Zij keek naar het plafond, groene ogen halfdicht, lippen nat. Toen ik een tweede vinger toevoegde, klemde ze om me heen en stootte tegelijk haar pik dieper in mijn vuist. Het ritme ontstond. Penseel en papier. Inkt en vezel.
Toen ik opkeek, zat ze half overeind, haar op haar schouder, en trok me omhoog. Wij kusten. Zij duwde me op mijn rug en ging eroverheen zitten, haar pik tegen de mijne, glad van pre-cum, heupen die wreven tot het bijna pijn deed van te veel gevoel. Toen tilde ze zich op, pakte mijn lul, en liet de kop tegen haar opening rusten.
“Kijk naar me.”
Ik keek. Groene ogen. Ochtendzon in een donkere kamer.
Zij zakte. Langzaam. De hitte van haar slok mij in, centimeter voor centimeter, tot haar billen op mijn heupen lagen en haar pik tussen onze buiken klemde, hard, kloppend. Zij bleef even stil. Ademde. Toen bewoog ze.
Het was geen wild geneuk. Het was Shodo met lichamen. Lange streken. Korte, natte accenten. Zij reed, ik stootte omhoog wanneer haar adem hapte. Mijn hand om haar lul, duim over de natte spleet. Haar haar veegde over mijn borst, over mijn mond. Ik zoog er een pluk van, rook shampoo, inkt, zweet.
Zij kwam eerst zo, met een geluid dat te rauw was voor haar mond, haar binnenste dat samentrok in golven, haar pik die in mijn vuist spoot, warm, veel, over mijn buik tot tegen mijn tepel. Ik hield haar vast, bleef diep, en liet haar uittrillen tot ze bijna lachte van overprikkeling.
Toen draaide ik haar. Op handen en knieën. Haar haar over één schouder, ruggengraat een perfecte lijn. Ik duwde opnieuw naar binnen, dieper nu, harder, omdat zij “harder” zei zonder het woord te gebruiken, alleen door haar rug te holen en terug te duwen. Elke stoot schoof haar vooruit. Haar pik bungelde onder haar, nog halfhard, nadruppelend. Ik greep hem, trok mee, en neukte haar tot de tafel pootjes tegen de muur tikte.
Ik kwam diep in haar, met mijn voorhoofd tegen haar schouderblad, haar naam tussen mijn tanden. Asahi. Asahi. Alsof het teken zelf in haar lichaam werd gezet.
Wij bleven liggen. Haar vingers tekenden iets op mijn borst. Geen letters die ik kende. Misschien alleen de beweging.
“Nog een keer,” zei ze na een tijd. “Maar dan aan de tafel.”
De tafel waar overdag papier lag.
Zij veegde hem half leeg, liet één vel liggen. Ging eroverheen staan, handen plat naast het witte vlak, kont omhoog, haar als een zwart zegel over haar rug. Ik nam haar zo, kijkend naar hoe haar knokkels wit werden op het hout, hoe een druppel inkt van een open potje trilde maar niet omviel. Haar pik streek over het tafelblad. Een nat spoor. Toen ik de eikel tussen duim en wijsvinger nam, kwam ze opnieuw, stiller dit keer, met een lange uithaal van adem die de les in herinnerde: niet duwen. Uitnodigen.
Die nacht sliepen wij niet meteen. In de keuken dronk ze water uit dezelfde beker. Ik stond achter haar, mijn lul alweer zwaar tegen haar billen. Zij zette de beker neer, greep de aanrecht, en ik nam haar staand, een been van haar opgetild, haar voet op mijn kuit. De koelkas bromde. Buiten een tram. Binnen alleen huid en natte geluiden en haar groene ogen in het keukenraam. Haar pik klemde tussen haar buik en het hout. Mijn vuist eromheen. Zij kwam over haar eigen vingers. Ik vulde haar opnieuw.
Op het matras daarna, in het eerste grijze licht, knielde zij tussen mijn benen. Haar lange haar viel over mijn dijen als een gordijn. Zij nam mijn lul in haar mond. Warm. Precies. Tong onder de rand, dan dieper, keel die zich om me heen sloot. Ik legde mijn hand in haar haar, niet duwend, alleen aanwezig. Zij zoog tot ik waarschuwde. Zij liet niet los. Ik kwam tegen haar tong. Zij slikte, veegde haar lip af met de rug van haar hand, en glimlachte alsof de compositie af was.
Het herhaalde zich.
Niet als een toevallige ontsporing. Als een tweede lesrooster.
Overdag Shodo. Adem. Houding. De kanji voor stilte, voor stroom, voor lichaam. ’s Avonds of in het weekend haar huis, of soms het mijne.
Een donderdag na de les, toen de anderen weg waren, kuste ik haar tegen de schuifdeur van het penselenkastje. Mijn hand onder haar hakama, om haar harde pik. Zij beet op mijn schouder om niet te kermen. Ik ging door met mijn vuist, stevig, nat, tot ze in mijn hand kwam, warm tegen de zwarte stof. Daarna veegde zij zich schoon met dezelfde doek waarmee ze inktvlekken wegwerkt, een blik van iets dat op trots leek.
“Je maakt de les vuil,” fluisterde ze.
“De les was al klaar.”
“Niet voor mij.”
Zaterdag in haar badkamer. Stoom. Haar haar nat, tot over haar billen, zwaardere strengen. Ik zeepte haar in, handen over haar borst, over haar slanke lul die in de warmte omhoog kwam. Zij ging onder de straal staan, handen tegen de tegels. Ik nam haar onder het water tot het schuim van onze buiken droop. Zij kwam tegen de muur, een witte streep die meteen werd weggespoeld. Ik kwam in haar en bleef zitten, mond tegen haar natte nek, tot het water koud werd.
Zondag ochtend lag zij half over mij, haar pik slap en zwaar op mijn heup, haar mond op mijn tepel. “Schrijf iets,” zei ze. Wij gingen naar de tafel. Ik zette een teken. Het was niet mooi. Te veel wil. Zij ging achter me staan, borsten tegen mijn rug, haar halfharde lul in de lijn van mijn billen — druk, wrijven, niet binnendringen — en legde haar handen over de mijne op de penseel.
“Adem.”
Ik ademde.
De tweede lijn was beter.
Daarna knielde zij voor me en zoog mij tot ik klaarkwam. Ik trok haar over mijn schoot, haar rug tegen mijn borst, en wreef haar lul uit tot zij trilde en over haar eigen dijen spoot. Toen tilde ik haar heupen en schoof opnieuw in haar, diep, tot zij zich vastgreep aan de tafelrand.
Wij praatten tussendoor. Over haar ouders die via video belden en beleefd vroegen of ze “nog steeds tekenles gaf”. Over de universiteit. Over hoe kunstgeschiedenis haar had geleerd dat lichamen altijd al politiek waren. Over homofobie die haar in de tram soms kleiner maakte, en hoe mijn hand in haar nek haar weer groter maakte. Over muziek: koto, trage elektronica. Ik zette iets op. Zij danste niet. Zij bewoog zoals zij schilderde. Minimaal. Fataal.
Niet elke keer was langzaam.
Soms, als de week te veel blikken had gedragen, of te veel herinnering aan Tokyo, wilde zij hard. Dan duwde zij me op de stoel, ging over me heen zitten en zakte in één keer op mijn lul, tot het geluid uit haar keel kwam dat geen les meer was. Dan neukte ik haar tegen de muur, een been om mijn heup, haar pik klem tussen onze buiken, stotend tot haar zaad omhoogspoot tegen haar eigen kin. Dan liet zij zich op handen en knieën zetten op de rand van de tafel — niet op een vol vel, op de plek waar toch al vlekken mochten — en ik nam haar tot het hout kraakte en zij mijn naam zei als een teken dat te groot was voor het blad.
Ik likte haar huid schoon. Buik. Borst. De binnenkant van haar dijen. Niet haar pik met mijn mond. Mijn hand deed dat werk. Stevig. Nat. Tot ze opnieuw kwam.
In mijn huis zag zij de attributen van mijn andere werk — riemen, zachte touwen, de stoel — en zij raakte ze aan zonder te vragen of ze moest knielen. Op een avond deed zij het toch. Niet als sissy. Als iemand die de vorm herkende. Zij knielde, rug recht, haar over haar borst, handen op de dijen, en keek omhoog.
“Alleen vanavond,” zei ze. “Niet omdat ik kleiner ben. Omdat ik wil voelen hoe jij een lijn afmaakt.”
Ik ging voor haar staan. Mijn hand in haar haar, niet rukkend, verzamelend, tillend, tot haar keel vrij was. Zij opende haar mond en nam me in. Ik neukte haar keel, langzaam, tot speeksel over haar kin liep. Daarna draaide ik haar, duwde haar op haar ellebogen, en nam haar kont diep terwijl mijn vuist haar lul molk. Zij kwam met haar voorhoofd op de mat. Ik vulde haar. Zij neukte mij niet. Nergens. Nooit.
’s Ochtends zette zij thee. Geen grote woorden. Haar haar in een losse streng. Een blauwe plek van mijn mond op haar sleutelbeen, als een zegel.
De weken stapelden zich. De cursus liep naar zijn einde. De les tussen ons niet.
Een avond at ik bijna niets. Zij ook niet. Honger naar iets anders. Ik zette haar op de vensterbank, stad licht achter haar haar, en spreidde haar. Twee vingers in haar opening, vuist om haar lul, mond op haar tepel. Zij kwam zo, met haar achterhoofd tegen het glas, een kreet die zij in haar pols beet. Toen tilde ik haar van de bank, droeg haar drie stappen naar de tafel, en neukte haar op haar rug, benen over mijn schouders, haar pik tussen ons in, tot ik diep in haar kwam en zij opnieuw in mijn hand.
Een andere nacht, na wijn, liet zij zich vastbinden. Alleen de polsen. Zacht touw aan de stoelpoten van haar werktafel. Rug op het hout. Haar uitgespreid. Ik wreef haar lul met olie tot hij donkerrood en nat was, nam haar opening met drie vingers, en pas daarna met mijn lul, langzaam tot zij smeekte, dan hard tot zij kwam zonder dat ik haar pik nog aanraakte, alleen van hoe diep ik zat. De tweede climax dwong ik wel met de hand, strak, snel, tot zij over haar eigen buik spoot en ik het met twee vingers over haar tepel streek. Zij keek ernaar. “Vuil,” fluisterde ze. “Houd het.”
Ik hield het. Kuste haar. Neukte haar nog eens tot mijn eigen zaad bij het hare lag, een natte zegel op die blanke huid.
In de les daarna zei niemand iets. Alleen haar blik toen ik mijn penseel verkeerd vastpakte. Een waarschuwing. Een belofte. Na afloop, in het trappenhuis van de school, duwde zij mijn hand onder haar jas, om de harde lijn in haar broek. “Thuis,” zei ze. “Niet hier. Ik wil niet dat deze muur jou krijgt.”
Thuis kreeg de muur ons alsnog. Rug tegen stucwerk. Haar been om mijn heup. Ik in haar. Haar pik tussen onze buiken. Natte klappen. Haar tanden in mijn schouder. Mijn naam. Haar naam. De tram buiten. De inktpot op tafel die niet omviel.
Er waren ochtenden waarop wij alleen lagen. Haar hoofd op mijn borst. Mijn vingers in dat eindeloze haar. Zij vertelde over Kyoto in de zomer, over de geur van hout in een tempel, over hoe zij op haar zestiende al wist dat haar lichaam een verkeerd blad was waarop iemand anders had begonnen te schrijven. Hormonen waren de gum. Nederland was het nieuwe papier. Ik was, zei ze voorzichtig, de eerste die de lijn niet wilde corrigeren naar iets dat híj mooier vond, maar die haar nam zoals zij nu was: vrouw in wording, pik nog aanwezig, mond die gaf, kont die opende, wil die helder was.
“Jij pijpt me niet,” zei ze eens, niet als verwijt. “Dat is goed. Mijn lul is van mijn hand en van jouw hand. Mijn mond is van jou. Jouw kont is van jou. Duidelijk als kaisho.”
“Duidelijk als kaisho,” herhaalde ik, en draaide haar op haar zij, tilde haar bovenste been, en schoof opnieuw in haar terwijl ik haar lul van achteren vasthield. Langzaam. Diep. Tot zij in de kussens kwam en ik haar volgde.
De laatste officiële les van de cursus was een demonstratie. Zij zette 無, mu, niets, leegte, op een groot vel voor de klas. De zaal hield de adem in. Haar lijn was zo schoon dat het pijn deed. Na afloop kwam een leerling haar danken. Ik wachtte. Op straat, in de wind, zei zij: “De cursus is klaar. Wij niet.”
Die nacht vierden wij het zonder feest. Alleen olie, haar op de futon, ik achter haar, borst tegen haar rug, lul diep in haar kont, hand om haar pik, mond tegen haar oor. Ik praatte haar vol. Wat ik zag. Hoe strak zij was. Hoe haar zaad over mijn vingers zou lopen. Hoe ik haar zou blijven nemen tot de ochtendzon — Asahi — door het raam viel. Zij kwam met een snik. Ik vulde haar. Wij bleven verbonden tot zij zacht werd om me heen en ik weer hard werd in haar, en de tweede ronde stiller was, bijna eerbiedig, bijna wreed van precisie.
Maanden, geen weken alleen.
Een winteravond. Sneeuw tegen het glas. Zij in een wijde trui, niets eronder, haar tot in haar schoot. Ik las niets. Keek. Zij merkte het, spreidde haar knieën op de stoel, en liet haar pik in de schaduw van de trui hard worden. “Kom dan,” zei ze. Ik ging. Vuist. Vingers. Daarna mijn lul, zij half op schoot, trui opgetild tot haar tepels, haar die tegen mijn mond hing terwijl ik haar van onderen nam. De stoel kraakte. De sneeuw viel. Zij spoot in de trui. Ik lachte tegen haar keel. Zij ook, hees, en zei: “Wasgoed. Later.”
Later was de douche. Later was de vloer. Later was zij die mijn lul zoog tot haar kaak vermoeid was, en ik die haar daarna op haar rug neukte tot zij met haar nagels mijn rug openhaalde.
Buiten bleef Nederland soms hard. Een opmerking bij de supermarkt. Een formulier. Een blik. Binnen bleef zij Asahi: lang haar, groene ogen, atletische lijn, blanke huid, harde lul in mijn hand, zachte mond om mijn lul, een lichaam dat ik nam tot zij beefde.
Ik pijpte haar niet.
Zij neukte mij niet.
Ik nam haar.
Zij gaf zich.
En de inkt bleef vloeien.
Op een late lenteavond, toen het raam open kon, zette zij een laatste teken terwijl ik achter haar stond, al half in haar, mijn hand plat over haar onderbuik, haar pik in mijn andere hand. Zij voltooide de lijn zonder te beven. Toen pas liet zij de penseel los, boog zich over de tafel, en fluisterde:
“Nu. Maak het af.”
Ik maakte het af. Diep. Hard. Haar naam. Mijn zaad in haar. Haar zaad over het hout, naast een vel dat nooit meer helemaal wit zou zijn.
Asahi. Ochtendzon.
Niet omdat alles licht was. Omdat na de zwarte inkt van de nacht het licht weer ergens begon, in een kamer in Amsterdam, op een huid zo blank dat elke kus een teken achterliet, in een lichaam dat nog onderweg was naar de vorm die zij zelf koos.
Ik was haar gast. Haar minnaar. Haar rivier.
Niet duwen.
Uitnodigen.
De inkt wil vloeien.
Jij mag alleen de rivier zijn.
Haar rivier liep over mijn vuist, over mijn buik, over het hout.
Mijn rivier liep in haar.
En elke keer dat haar penseel weer het papier raakte, zag ik in de zwarte lijn precies wat wij de avond ervoor met onze lichamen hadden geschreven: geen simpele handeling.
Een geest.
In inkt.
In haar.
In mij.
59 keer gelezen
Score:
(van aantal stemmen: )
Je moet eerst inloggen om te kunnen stemmen.
